Columns over mijn vader, het coronavirus en de IC

Die superheld van mij ligt nu op de IC

De enige keer dat ik mijn vader grieperig zag, was twintig jaar geleden. Ik was een jaar of 17, was na de koopavond nog even het centrum ingegaan en had de laatste tram gemist. Tien minuten na mijn sms’je stond hij bij Beurs. Met een rood bezweet hoofd en enigszins geïrriteerd, want ik had dezelfde dag nog met de deur gesmeten. Maar boos, ziek of niet, mijn held kwam me gewoon halen.

Daar moest ik aan denken toen ik zondag ingepakt aan zijn bed stond. Corona. Eerst kwam er een positieve test, toen het hoesten, de koorts en de benauwdheid. Van zijn huis naar de dokter, die hem voor de zekerheid naar het ziekenhuis stuurde. Vervolgens van de normale afdeling naar de IC. Het ging allemaal zo snel. Compleet onverwachts ook, want in mijn ogen is mijn vader onaantastbaar. Een beer van een vent, sterk, gezond én handig. Als er een fietsband lek is, komt pa hem plakken. Als er een lamp moet worden opgehangen, staat hij de volgende dag voor de deur. Mijn huis werd door mijn vader omgetoverd tot een paradijs. Niet met woorden, maar met daden laat pa zien dat hij van je houdt.

Zijn naam betekent ‘rots’. En nu ligt onze rots in de branding aan talloze slangetjes in het ziekenhuisbed. Aan de muur hangen foto’s die hij niet kan zien. Ik kijk naar de beademingsapparatuur, hoor de piepjes, ruik het ontsmettingsmiddel en voel de tranen prikken. Dat er elke dag twee familieleden aan zijn bed staan, daar zou hij vast iets van vinden. ,,Waarom elke dag? Ik slaap toch?”

Mijn vader hield zich keurig aan de maatregelen, toch is hij nu een van de 500 IC patiënten. Elk ziekenhuisbezoek voelt als een achtbaan van emoties. Boosheid op degene die hem besmet heeft en op alle anderen die het niet zo nauw nemen met de regels. Angst voor wat er komen gaat. Maar vooral veel verdriet omdat het zo godsgruwelijk veel pijn doet om iemand van wie je houdt zo te zien lijden.

Gelukkig krijgt hij daar nauwelijks iets van mee, want pa wil niet dat mensen bezorgd om hem zijn. Zorgen jullie goed voor jezelf, zei hij voordat hij in slaap werd gebracht. Twee uur daarvoor had ik hem nog geappt. Dat ik me druk maakte omdat hij voorlopig nog niet naar huis mocht. ,,Ik lig hier nog maar twee dagen”, stuurde hij terug. ,,Wie denk je dat ik ben, superman?”

Superman niet, maar wel al 36 jaar mijn vader. Voor mij ben je altijd een superheld.

(AD/Rotterdams Dagblad, 9 december 2020)

Geluidloos lachen om Johan

Net voordat mijn vader in slaap werd gebracht, keek hij nog voetbal vanuit het ziekenhuisbed. Tijdens zijn coma zetten de zusters het schermpje aan voor de sportgeluiden. Nu is hij sinds een paar dagen wakker, herstellend van het coronavirus, en hangt het bord in zijn kamer op de ic vol met wedstrijd- en programmatijden. Vandaag is het tijd voor Veronica Inside. Want de borrelpraat van Derksen, Van der Gijp en Genee is veel leuker dan een kaartje.

Het gefluit dreunt nog na in mijn hoofd, net als het geschreeuw van de supporters als er een gele of rode kaart werd uitgedeeld. Al voor mijn geboorte was mijn vader een fanatiek voetballer. Eerst voor betaalde clubs als Excelsior, later voor amateurverenigingen als CVV. Toen zijn dagen als speler voorbij waren, ging hij aan de slag als trainer. Doordeweeks de spelers trainen en in het weekend wedstrijden. Mijn vader heeft maar één hobby: voetbal. En voetbal kijken. Als kind ging ik ook vaak mee naar belangrijke wedstrijden van mijn vaders club. Wat was ik trots als ze een beker wonnen. Op mijn vader vooral, want in tegenstelling tot veel Rotterdammers ben ik nooit besmet geraakt met het voetbalvirus, hoe hard ik ook mijn best deed.

Voor deze krant schrijf ik wel eens levensverhalen over mannen en vrouwen die diep in de voetbalwereld zaten. Feyenoord, Sparta of een of andere amateurclub was hun leven. Pas toen het echt niet meer ging, skipten ze de wedstrijden. ,,Ik dacht altijd dat ik hem dood in zijn stoel op de club zou aantreffen”, zei de zoon van een bekende Feyenoorder laatst.

Sinds zijn laatste trainingsbaan gaat mijn vader niet meer zo vaak naar wedstrijden. Alle actie verschoof van het veld naar de bank in zijn huis. Maar zijn interesse in het balspel is nog onverminderd groot. Alle wedstrijden kijkt hij en ook het praatprogramma Veronica Inside is vaste prik.

Marieke Derksen bleek wel te porren voor een filmpje voor zo’n trouwe kijker. Dus belde ze haar vader, die direct aan de slag ging. Nog voor de opnames van VI was er een beterschapswens van Johan. Met behulp van de visagiste, want de beste man schijnt niet zo handig te zijn met telefoons.

Vanwege de buis in zijn keel kan mijn vader nog niet praten en bewegen gaat slecht. Maar als mijn broertje en ik het filmpje van Johan laten zien, moet hij lachen. Geluidloos en voorzichtig. Dan gaat het licht uit, sluit hij zijn ogen en lopen wij de ic af. Nog even slapen, want zo dadelijk is het tijd voor VI. En daar knap je van op, Alan, zoals Johan al zei.

Het filmpje van Johan Derksen

Wij proosten op de helden van 2020

Ik zie haar voor de ic waar mijn vader tot voor kort lag. Haren in een wilde staart, een frêle postuur en een vermoeide blik, alsof ze de hele nacht heeft doorgewerkt. ,,Goedemiddag”, zegt ze desondanks vrolijk. Voor de deur strijkt de verpleegster haar witte broek glad en recht ze de schouders. Dan loopt ze de gang door, richting de corona-afdeling.

En daar is het druk, want de ziekenhuizen liggen weer vol met coronapatiënten. Dat betekent overuren voor het zorgpersoneel. Naast lichamelijke overbelasting raken velen zelf besmet met het virus. Lang nog niet de oude gingen ze toch weer aan het werk. Want het gevecht tegen het coronavirus is een wedstrijd zonder pauze, een wedstrijd die steeds maar verlengd wordt. Het is ook een gevecht waar de tribune steeds leger raakt.

Artsen en verpleegkundigen missen steun vanuit de bevolking. Steeds vaker krijgen ze te maken met agressie en onbegrip vanwege het beleid. Hoe anders was dat tijdens de eerste golf, toen we met z’n allen klapten voor de zorg. Toen tienduizenden Nederlanders zich opgaven als vrijwilliger. Toen iedereen aan de lippen van Diederik Gommers hing. En toen we cakes en taarten bakten voor het zorgpersoneel. De saamhorigheid lijkt te zijn vervangen door onverschilligheid, onvrede en ongeduld. Als ik na het bezoekuur thuiskom, zie ik een en al geklaag op sociale media. Over het dragen van een mondkapje. Over dat alles dicht is. Over dat 2020 het meest saaie jaar ooit is.

Toegegeven, ook ik dacht dat mijn eindejaarscolumn een Rotterdamse klaagzang zou worden. Over de misgelopen reizen, feestjes en het werk, en de saaiheid van het bestaan. Maar toen kreeg mijn vader corona en belandde hij op de ic. Als je iemand hebt zien vechten aan de beademing, dan snap je waarom het zorgpersoneel het mentaal en fysiek zwaar heeft. Dan kun je de arts of verpleger die goed nieuws brengt wel om de nek vliegen van dankbaarheid. En dan komt een hartenkreet van een verpleegster die er even doorheen zit nog harder binnen. De 24-jarige hield talloze handen vast van patiënten die hun laatste adem uitbliezen. ,,Want ik wilde niet dat ze alleen dood zouden gaan”, schreef ze op Facebook.

Geklapt voor de zorg heb ik niet, want ik was aan het werk. Ook heb ik geen taart gebakken of een kaartje gestuurd. Maar ik heb wel een boodschap aan alle artsen en verpleegkundigen, en in het bijzonder die in het Maasstad Ziekenhuis. Dankzij jullie ligt mijn vader niet meer op de ic, maar zit hij thuis op de bank. Als de klok straks twaalf uur slaat, proosten wij op jullie, de helden van 2020.

Het zijn lastige tijden voor de journalistiek, vooral nu, tijdens de coronacrisis. Een bijdrage wordt dan ook zeer gewaardeerd. Dan kan ik weer nieuwe artikelen schrijven.  Let op: het bedrag kun je zelf aanpassen. 

Donate € -
Please follow and like us:
error4
fb-share-icon20
Tweet 20
fb-share-icon20

You Might Also Like

Back to top