IS pleegde genocide op ze, maar wie denkt er twaalf jaar later nog aan de Jezidi’s?
Op 3 augustus 2014 werd de Jezidi-gemeenschap wakker met IS voor de deur. Duizenden mannen werden vermoord; hun vrouwen en kinderen ontvoerd en als slaaf verkocht. De wereld erkende de aanval als genocide en ging verder. Maar twaalf jaar later leven de Jezidi’s nog altijd met de gevolgen. Sorry lezers, dit wordt geen vrolijk verhaal.
Een paar maanden geleden was ik bij de Raad van State in Den Haag toen, tijdens een stille demonstratie waar tientallen gevluchte Jezidi’s zich hadden verzameld, een jongeman naar me toe kwam lopen. ‘Jij bent toch die journalist die een boek over de genocide heeft geschreven?’ vroeg hij.
Hij vertelde dat hij het gelezen had. Omdat het over zijn volk ging, over wat ze hadden meegemaakt, maar vooral omdat zijn oom erin stond. Nadat hij me een paar keer had bedankt (Jezidi’s zijn nog altijd dankbaar als journalisten over hen schrijven, als activisten zich om hen bekommeren) vroeg ik hoe het met zijn oom ging.
‘Niet goed,’ zei hij aarzelend. ‘Zijn dochter is recent overleden.’
Ik denk dat ik iets zei als: ‘Dat kan niet waar zijn.’ Ik vroeg wanneer het was gebeurd. Hij antwoordde dat het recent was. Wat ik nog wel precies weet: dat ik met knipperende ogen mijn tranen probeerde tegen te houden, en dat een paar Jezidische meiden die ik kort daarvoor had geïnterviewd, een troostende arm om me heen legden. Ik voelde me er beladen onder. Die meiden hadden zelf veel ergere zorgen; zij worden waarschijnlijk het land uitgezet.
Ik kon het niet tegenhouden. Het beeld van deze man, opnieuw gebroken door een nieuw verlies, sneed door mijn hart.
Salem. De man die zijn hele gezin was kwijtgeraakt. Zijn vrouw en zijn kinderen. De man die tijdens ieder interview in zijn zelfgemaakte huis – een soort opgepimpte ruïne van steen, zeil en andere materialen – ‘mijn huis is jouw huis’ tegen me zei, en ondanks de weinige middelen altijd een feestmaal op tafel zette voor mij en mijn vertaler.
Een aardige man. Een trotse man. Een gebroken man. Telkens als de emoties opborrelden, stak hij een nieuwe sigaret op, en schoof er tegelijk één naar mijn vertaler. Met iedere trek werd de blik in zijn ogen weer trotser. Het gevecht tegen de tranen zou hij winnen.
Deze man hield zielsveel van zijn kinderen. Dat merkte je aan de kleine herinneringen die hij deelde: dat hij de meiden altijd verwende met kleine hebbedingetjes. Plastic aapjes, poppen, doosjes oogschaduw. Toen IS uit Sinjar was verdreven, terugkeerde hij naar de puinhopen van zijn huis om herinneringen mee te nemen, maar brak bij het aanzien van de spullen van zijn kinderen en alles liet liggen.
Toen gebeurde er een wonder: één van zijn dochters keerde terug. Een frêle meisje met een luide, harde stem, dat er vaak bij kwam zitten als mijn vertaler en ik er waren. Een knap meisje met lichte haren en een gaaf gezichtje, dat op jonge leeftijd door IS van haar ouders was weggerukt en als huisslaaf en ‘adoptiekind’ was verkocht aan een IS-familie, die haar verwaarloosde en mishandelde.
Na jaren werd ze bevrijd om er vervolgens achter te komen dat van haar grote familie alleen haar vader nog over was. Ze ging bij hem wonen in Iraaks Koerdistan. Salem hertrouwde, omdat dat beter was voor zijn dochter, en kreeg nog twee kinderen. Kleine jongetjes over wie zijn dochter zich ontfermde als een echte grote zus.
Het tweede wonder gebeurde ergens in 2019. Ook zijn zoon werd bevrijd uit de klauwen van IS. Nu had Salem twee van zijn kinderen terug.
‘Maar hoe?’ vroeg ik, want ik snapte het totaal niet.
Salems neefje antwoordde dat hij het niet precies wist, behalve dat ze ziek was. Ik vroeg niet door, deels omdat de jongen zelf emotioneel was, deels omdat ‘ziek zijn’ eigenlijk al een antwoord was.

Salem in Het Vergeten Volk, over zijn familie. ‘IS zal ze als slaven verkopen. Ik weet niet waarom ons dit is overkomen. Waarom is dit ons overkomen?’
Ongoing genocide
In de jaren voor, tijdens en nadat ik Het Vergeten Volk schreef, heb ik honderden, zo niet duizenden Jezidi’s gesproken. In kampen in Irak, in Europa, in de Verenigde Staten en in Nederland. Waar ik ook kwam, één ding was duidelijk: niemand kwam ongeschonden uit de genocide. Zelfs jaren later – Jezidi’s noemen het zelf een ongoing genocide – gingen gesprekken bijna altijd binnen een paar minuten over wat er in 2014 was gebeurd. Ook tijdens feestjes.
Velen kampen nog altijd met het verlies van dierbaren. Of van de vermisten: veel massagraven zijn nog niet geruimd of ontdekt, en tot op de dag van vandaag worden meer dan tweeduizend gekidnapte vrouwen en kinderen vermist. Vastgehouden door ondergedoken IS-leden, of vermoord. Veel kinderen die toen één of twee waren, weten inmiddels niet eens meer dat ze Jezidi zijn.
Degenen die door IS werden gekidnapt, verkocht en tot slaaf gemaakt, zijn vaak ernstig getraumatiseerd. Tel daar de slechte leefomstandigheden in de kampen bij op (verontreinigd water, vrieskou in de winter, een verzwakt immuunsysteem) en de gebrekkige gezondheidszorg, en het is geen wonder dat mensen ziek worden of blijven.
Een trauma kan een mens ook lichamelijk ernstig ziek maken. Een van de eerste meisjes die ik bezocht, lag in 2017 letterlijk doodziek in een tent: graatmager en rillend, terwijl het buiten 35 graden was. Een paar maanden eerder was ze bevrijd. Volgens haar moeder weigerde ze te eten.
In de beginjaren pleegden veel ontsnapte vrouwen zelfmoord. Tijdens hun gevangenschap kwam het regelmatig voor dat vrouwen zich van het leven beroofden om te ontsnappen aan de seksuele slavernij. Eenmaal in de kampen konden velen het trauma niet dragen. Psychologische hulp stond nog in de kinderschoenen. EMDR en andere behandelingen kwamen vaak van buitenlandse dokters. Koerdische en Jezidische studenten lieten zich in hoog tempo opleiden, maar de hulp kwam vaak te laat.
In 2019 viel het kalifaat. IS was militair verslagen. Toch steeg juist daarna het aantal zelfdodingen, niet alleen onder vrouwen, maar ook onder mannen, en zelfs onder jongeren die nooit door IS waren gekidnapt. Hulporganisaties trokken zich terug omdat de oorlog ‘voorbij’ was. De omstandigheden verbeterden niet. Integendeel.

Steeds opnieuw hetzelfde verhaal
Vanaf het begin van mijn onderzoek hoorde ik steeds dezelfde zin: ‘De wereld is ons allang vergeten.’ Zo kwam ik op de titel voor mijn boek ‘Het Vergeten Volk’. Destijds hoopte ik dat de Jezidi’s ongelijk zouden krijgen. Inmiddels vrees ik dat ze gelijk hadden.
Wellicht heb ik daar zelf ook een aandeel in gehad. De afgelopen jaren schreef en tweette ik er minder over. Niet omdat het me niet meer bezighoudt, maar omdat het zinloos begon te voelen om steeds hetzelfde verhaal te vertellen zonder dat er iets veranderde. En omdat ik merkte dat mensen het niet meer wilden horen. Dat ze me steeds vaker zagen als een ‘one-issue journalist’.
Wat me het meest heeft verbaasd waren de paar hatelijke Instagramberichten die ik na 7 oktober kreeg: ‘Wanneer ga je je eens bezighouden met deze genocide?’ – over Gaza dus. En opvallend vaak van mensen die nooit eerder over de Jezidi’s hadden gerept.
De wereld draaide door. Oude conflicten laaiden opnieuw op, nieuwe oorlogen braken uit, en de genocide op de Jezidi’s werd oud nieuws. Toch voelt het voor mij soms nog als gisteren. Ik zie nog precies hoe ik voor het eerst inzoomde op foto’s van de berg Sinjar en aan de lila en witte hoofddoekjes herkende dat het Jezidi’s waren. De reizen, de interviews, de kampen: alles lijkt soms zo kortgeleden.
Zo ook mijn laatste reis naar Irak, inmiddels meer dan vier jaar geleden. Samen met Bruno Struys van De Morgen onderzocht ik de betrokkenheid van Nederlandse en Belgische IS-strijders (en hun vrouwen) bij de genocide. In de kampen waar we getuigenissen van Jezidi’s verzamelden, klampten mensen zich aan ons vast en vroegen om geld. Voor veel mensen klinkt dat misschien niet schokkend, maar wie de Jezidi’s kent, weet dat het een trots en gastvrij volk is. Dat sommigen zich genoodzaakt zien om te bedelen, zegt alles over de omvang van de armoede en de wanhoop waarin een deel van de gemeenschap terecht is gekomen.

Een tentenkamp in Iraaks-Koerdistan in 2019.
Terug naar Irak
‘Maar hoe kan dat, terwijl allerlei landen geld hebben gestuurd?’
Dat klopt. Ook via de Verenigde Naties is er veel geld beschikbaar gesteld. Alleen kwam dat geld lang niet altijd terecht op de plekken waarvoor het bedoeld was. In het geval van de wederopbouw van Sinjar zou ik zelfs zeggen: eerder niet dan wel.
Soms vragen mensen of ik nog terug wil om verslag te doen. Zeker. Maar de pijnlijke werkelijkheid is dat ik wederom in herhaling zal vallen. De kampen staan er nog. De verhalen zijn even schrijnend. De uitzichtloosheid is alleen maar toegenomen, evenals de discriminatie en de dreiging van extremistische moslims. Zowel de Iraakse als de Koerdische regering doen weinig om een volk dat al eeuwenlang wordt bedreigd te beschermen en hun leefomstandigheden te verbeteren.
Toen ik er voor het laatst was, waren al 150.000 Jezidi’s naar het buitenland gevlucht. Inmiddels zullen dat er een stuk meer zijn. Tijdens demonstraties in Den Haag kwam ik Jezidi’s tegen die ik nog kende uit Irak, mensen die na mijn laatste reis in 2021 naar Nederland zijn gevlucht. Nog altijd vragen Jezidi’s in Iraaks Koerdistan mij of ik een visum voor ze kan regelen. Zoals een van mijn vertalers, inmiddels een vriend, die laatst belde om te vertellen dat hij zijn kinderen daar niet wilde laten opgroeien. Of ik niet wist hoe hij naar Nederland kon komen.
Waarom keren ze niet terug naar Sinjar? Allereerst maken de autoriteiten het Jezidi’s behoorlijk lastig om terug te keren. Bovendien vechten Koerdistan en Irak al jaren om de controle over het betwiste gebied. Sinjar ligt twaalf jaar later grotendeels in puin en is voor veel Jezidi’s geen veilige plek. Wie wel terugkeert, loopt het risico voormalige IS-handlangers tegen te komen. Veel verdachten kwamen ermee weg: ze ontsnapten, doken onder of werden bij gebrek aan bewijs vrijgelaten. Bovendien is de dreiging voor Jezidi’s, zo leert de geschiedenis, groter dan enkel IS. Door de eeuwen heen zijn de Jezidi’s al 74 keer het slachtoffer geworden van een ferman: een poging tot genocide. Daarom klinkt binnen de gemeenschap al jarenlang dezelfde uitspraak: ‘Het is niet de vraag óf er opnieuw een genocide zal plaatsvinden, maar wanneer.’
Ook in Europa blijft de gerechtigheid beperkt. Er zijn daders veroordeeld voor slavernij en genocide – in Nederland werd Hasna A. recent als eerste veroordeeld voor haar betrokkenheid bij slavernij, in Duitsland kreeg een voormalig IS-strijder levenslang, maar het blijven uitzonderingen als je beseft dat tienduizenden IS-strijders, leden, handlangers en hun vrouwen betrokken moeten zijn geweest bij de georganiseerde genocide en slavernij. Ja, ook vrouwen. ‘De vrouwen waren vaak nog erger dan de mannen. Ze waren jaloers op mij omdat hun man mij verkrachtte. Ze mishandelden en vernederden mij,’ hoorde ik van meerdere Jezidische vrouwen en meisjes tijdens interviews.

Geen bescherming
Vroeger belde er rond 3 augustus altijd wel een redactie voor een interview, een radiogesprek, een duiding. Dat werd de laatste jaren minder, tot de telefoon helemaal niet meer ging. Dit jaar waren er opnieuw herdenkingen in Nederland. Niet georganiseerd door grote instellingen, maar door de Jezidische gemeenschap zelf. En het bijzondere is dat het steeds meer worden en er ook steeds meer mensen op afkomen, voornamelijk Jezidi’s natuurlijk.
‘Hoe kan ik verdergaan, als ik er nog middenin leef?’ hoorde ik in Den Haag van een vrouw die ondanks het herhaaldelijk vertellen van haar verhaal toch werd afgewezen voor asiel. Een ander fluisterde me toe dat ze zich zorgen maakte om haar vriendin, die dreigde met zelfmoord als ze zou worden teruggestuurd.
Het is niet uniek voor Nederland: in veel landen in Europa worden Jezidi’s die bescherming zochten, teruggestuurd naar de kampen in Iraaks Koerdistan omdat het daar veilig zou zijn. Waarom het niet veilig, niet verantwoord en bovendien onverteerbaar is om genocideslachtoffers terug te sturen naar de kampen, kan ik eindeloos over doorgaan, maar daar schreef ik ook al eerder over.
Sinds die demonstratie denk ik vaak aan Salem. Een kind verliezen, haar terugkrijgen en haar vervolgens opnieuw verliezen. Ik kan me nauwelijks voorstellen wat dat met een mens doet.
Ik weet nog steeds niet wat er precies met haar is gebeurd en ik heb er ook niet meer naar gevraagd. Het verandert immers niets. Het feit blijft dat Salem zijn dochter kwijt is en dat er in al die jaren maar weinig is veranderd om het leven van de Jezidi’s in Irak beter te maken. ‘We leven al twaalf jaar met deze genocide, terwijl de wereld allang verder is gegaan,’ hoor ik mijn vertaler zeggen. ‘En dat allemaal omdat we Jezidi’s zijn.’
Bedankt voor het lezen. Mijn verhalen zijn gratis, maar er gaat veel werk in zitten. Wil je helpen mijn werk mogelijk te maken? Doneren kan eenvoudig via het grijze balkje; het bedrag kunt u zelf invullen.